De vrije wil

Heeft een mens een vrije wil? Nee, want we zijn zondig en ook onze wil is onderworpen aan de zonde. We zijn slaven van de zonde, zoals de Heere Jezus uitlegt (Johannes 8:34). Als zondig mens ervaren we echter geen beperking van onze wil, want we kunnen (in onze beleving althans) doen en laten wat we willen en daarom achten we onszelf en onze wil vrij.

Doordat de eerste mens (Adam en Eva) God ongehoorzaam werden is de gehele mensheid aan de zonde onderworpen en verloren. In feite wilde en wil de mens, net zoals de duivel, aan God gelijk zijn. De eerste mens kon niet verkroppen dat God hem iets verbood, namelijk het eten van de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 2:16-17).

Stel dat er geen regels zouden zijn, geen wetten, geen beperkingen, en we zouden mogen doen wat we willen, dan hebben we vrijheid. Op het moment dat er een verbod is, dan zijn we ook niet meer vrij. Aangezien we als mens aan God gelijk (soeverein) willen zijn, ligt onze vrijheid uiteindelijk alleen in het overtreden van het verbod, want het verbod onderwerpt ons aan God. Wetgever versus wij die aan de wet onderworpen zijn.

Met de overtreding (de eerste zonde) stortte de mens zichzelf in het verderf, want God had straf aan de overtreding verbonden, namelijk de intrede van de dood. De mens is de duivel gevolgd in zijn opstand tegen God en we zijn verstrikt, gevangen en in slavernij van de zonde.

Dat we als zondig mens denken zelf te kunnen bepalen wat we doen, is ook de reden waarom we geen beperking van onze wil ervaren en we onszelf vrij achten. Precies zoals de Farizeeën, die tegenover de Heere Jezus stonden, dachten dat ze vrij waren. Ze beweerden: “Wij zijn nazaten van Abraham en daarom geen slaven, maar kinderen van God” (Johannes 8:33).

De Heere Jezus zegt ons de waarheid, namelijk dat wie zondigt niet vrij is en dat Hij ons vrij moet maken. De Heere Jezus zegt ons dat Zijn Woord in ons geen plaats krijgt en dat we niet geloven, omdat Hij de waarheid spreekt, maar dat we de wil van de duivel doen en niet de wil van God (Johannes 8:44-45). Ongeloof dus.

Als we denken dat we een vrije wil hebben dan denken we waarschijnlijk ook dat we de wil van God doen of kunnen doen, namelijk geloven in de Heere Jezus. Maar geloven we Gods Getuigenis ook of maken we onderscheid tussen onszelf en degenen tegen wie de Heere Jezus het in Johannes 8 heeft?

Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.
Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?
Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde.
En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig.
Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn.

Johannes 8:31-36

De waarheid maakt vrij, namelijk dat we een zondaren zijn, slaven, verblind in de strik van de duivel, levend gevangen om zijn wil te doen (2 Timotheüs 2:25-26). Als het niet in ons vermogen ligt om onszelf uit die strik te bevrijden, dan hebben we werkelijk de Verlosser, Die de losprijs voor ons betaalt, nodig.

Mensen zeggen weleens: “Geloven is een keuze, en de genade van God een aanbod.”. Als we denken dat we een vrije wil hebben dan klinkt dat ook wel logisch, maar het klopt niet en het is de omgekeerde wereld. Geloven is geen keuze, want een keuze is een daad en daarmee dus een werk. Geloof is niet uit werken, maar we geloven uit genade van God.

Genade en aanbod… dat is een volstrekte tegenstelling! De mens is blijkbaar soeverein en God afhankelijk van de vrije wil en keuze van een mens. Niet de genade wordt aangeboden, maar de Heere Jezus Christus. Hij is het middel tot verzoening, door het geloof in Zijn bloed (Romeinen 3:25).

Aan hem nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar wat men hem verschuldigd is.
Bij hem echter die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.

Romeinen 4:4-5

Als geloof een keuze zou zijn, die we uit vrije wil kunnen maken, dan is de genade van God een beloning. Een beloning voor een daad (keuze) waardoor we Gods genade deelachtig worden. In dat geval is God uiteindelijk afhankelijk van onze keuze. Wie is er dan soeverein? Wie heeft de vrijheid?

Ja, zegt men dan: “God is soeverein, maar Hij heeft geen robots geschapen en Hij respecteert de vrije wil van de mens. God trapt de deur niet in, maar Hij klopt netjes aan.”. Als dat waar zou zijn dan kan het zomaar gebeuren dat de Heere kan kloppen wat Hij wil, maar zonder de vrije wil en toestemming van de mens gaat die deur nooit open. Alsof God de mens wel wil redden, maar dat niet kan.

Als het waar zou zijn dat het in de macht van de mens lag om God, op welke wijze dan ook, welgevallig te zijn, dan was het met ons mensen helemaal zo’n verloren zaak niet. In dat geval had de Heere Jezus Zichzelf niet voor ons hoeven te geven om ons vrij te kopen van alle wetteloosheid en voor Zichzelf een volk te reinigen (Titus 2:14).

Daarmee is helemaal niet gezegd dat de mens tot geen enkel goed of menslievendheid en prachtige dingen in staat is, integendeel, maar het is niet volmaakt goed en dat is wel wat God van ons eist, omdat Hij Zelf volmaakt is.

Als wij mensen het daarentegen niet voor het zeggen hebben, omdat we slaven van de zonde zijn, die de wil van de duivel doen, dan zijn we compleet afhankelijk van de genade van God, omdat we dan namelijk verloren zondaren zijn! Voor verloren zondaars is de Heere Jezus gekomen.

En het gebeurde, toen Hij in het huis van Mattheüs aanlag, zie, veel tollenaars en zondaars kwamen en lagen met Jezus en Zijn discipelen aan.
En toen de Farizeeën dat zagen, zeiden zij tegen Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaars en zondaars?
Maar Jezus, Die dat hoorde, zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.
Maar ga heen en leer wat het betekent: Ik wil barmhartigheid en geen offer; want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Mattheüs 9:10-13

Laatste bewerking: 12 februari, 2018.